‘Het resultaat van doelgerichte therapie is bijzonder’

‘Niet alleen als verpleegkundige, maar ook als mens maakt het indruk op me’, stelt Marcel de Ruiter over het effect wat doelgerichte therapie kan hebben. (Tyrosine kinase-remmers). ‘Ik heb patiënten gehad die binnen kwamen in een rolstoel en zich zeer ziek voelden. Een paar weken later zag ik ze opnieuw, ditmaal lopend en in vrij goede conditie’. De Ruiter, verpleegkundig consulent longoncologie in het Erasmus MC noemt het resultaat wat doelgerichte therapie kan hebben bijzonder.

Diagnose longkanker

Zodra je de diagnose longkanker krijgt, volgt er normaliter binnen twee weken het biopt: een stukje weefsel wordt afgenomen. Dit is de standaard in Nederland. Het biopt wordt grondig onderzocht: wat voor type kanker is het? In welk stadium bevindt zich de kanker? En zijn er mutaties? De daadwerkelijke uitslag volgt dan 4 à 5 dagen later. Als er sprake is van een mutatie, wordt bepaald of er behandeld kan worden met doelgerichte therapie. Als dat duidelijk is, kan je gelijk met de behandeling beginnen. ‘Patiënten kunnen snel baat hebben bij de behandeling indien er een mutatie is’. Tijdens zijn spreekuur ziet De Ruiter voornamelijk patiënten die in aanmerking komen voor doelgerichte therapie. ‘Wij draaien spreekuren die eigenlijk speciaal voor deze patiëntengroep bestemd zijn: de TKI-poli, genoemd naar de gelijknamige therapie.’

Diagnose mutatie

Voordat de patiënten bij De Ruiter terechtkomen hebben ze vaak al een heel traject achter de rug. ‘Patiënten zijn soms al behandeld met chemotherapie of immuuntherapie; een traject dat emotioneel en fysiek zeer belastend is. Het valt ons op dat veel perifere ziekenhuizen de (nieuwste) TKI-remmers nog niet voor mogen schrijven. Voor de patiënten die ik in mijn spreekuur zie, is er nog veel onduidelijk. Ze verkeren in grote onzekerheid. Voor hen is het een enorme opluchting als zij horen dat er toch nog een behandeling is voor hun specifieke mutatie.’ Een deel van hun onzekerheid kan verlicht worden door betere informatievoorziening vanuit het perifere ziekenhuis.

Doelgerichte therapie

Patiënten die in aanmerking komen voor doelgerichte therapie, hebben over het algemeen een betere prognose dan patiënten die chemotherapie krijgen in dit stadium van de ziekte. Met doelgerichte therapie wordt de groei en deling van kankercellen geblokkeerd, zonder daarbij de gezonde cellen te beschadigen. Een bijkomend voordeel is dat targeted therapy relatief makkelijk is te ondergaan: een- of tweemaal daags een tablet, met over het algemeen relatief weinig bijwerkingen. Een ander voordeel is dat patiënten niet steeds voor behandeling naar het ziekenhuis hoeven te komen. Waar patiënten voor chemotherapie in een bepaalde conditie moeten zijn, is dat bij doelgerichte therapie niet aan de orde. Ook ernstig zieke patiënten kunnen met de behandeling starten en we zien dat ze snel kunnen opknappen, mits de behandeling aanslaat’.

Resistentiemechanisme

Longkanker is in bepaalde stadia niet te genezen, maar patiënten kunnen wel een langer een goed leven hebben, met de juiste behandeling. Uiteindelijk worden alle patiënten resistent voor de behandeling, dit houdt in dat de behandeling niet meer aanslaat. Wanneer dit gebeurt, verschilt per patiënt. De ene patiënt reageert drie jaar lang positief op dezelfde behandeling, een andere patiënt kan al na enkele maanden te horen krijgen dat de behandeling niet meer voldoende werkt. ‘Bij doelgerichte therapie treedt er soms een resistentiemechanisme op. Dan is er een nieuwe mutatie ontstaan, die vervolgens weer behandeld kan worden met doelgerichte therapie’. Als er geen nieuwe mutatie wordt gevonden, kan er mogelijk nog uitgeweken worden naar chemotherapie en immuuntherapie.

Ontwikkeling en perspectief

De ontwikkeling van innovatieve medicatie, zoals doelgerichte therapie, biedt mensen een kans op een langer en kwalitatief goed leven. Echter blijft longkanker uiteindelijk een progressieve ziekte. De Ruiter benadrukt de zware mentale last die zijn patiënten ervaren. ‘Er blijft een bepaalde vorm van onzekerheid bij patiënten. Het leven wordt nooit meer zoals het geweest is. Er is altijd dat stemmetje dat zegt dat de tumor onherroepelijk weer zal groeien. Elke zes weken is er een CT-scan. Elke zes weken een spanningsmoment dus. Dit mentale aspect is zeker iets wat ik bespreek met mijn patiënten. Daar waar mogelijk proberen we de mentale last te verlichten.’ De Ruiter ziet dat zijn patiënten ondanks alles hoopvol blijven: ‘wellicht als een therapie enkele jaren aanslaat, zijn er daarna wel weer nieuwe ontwikkelingen die de patiënt perspectief bieden’. Als patiënten op de hoogte zijn van de mogelijkheden en ontwikkelingen, kunnen zij gerichter aansturen op ofwel overleg met een expertisecentrum, dan wel aansturen op een second opinion.